|
Volgens de klassieke opvattingen over het eiland -wiens oorspronkelijke inwoners zich Rapanui noemen, afkomstig van het eiland Rapa Nui, ofwel navel van de wereld- was het ooit een florisante plaats, met een bloeiende beschaving. Ze gingen echter tenonder door op het milieu te parasiteren. Volgens deze versie van de gebeurtenissen kwam een klein groep Polynesische kolonisten rond 800 á 900 na Chr. op het eiland aan. In het begin groeide hun bevolking langzaamaan, maar rond 1.200 na Chr. waren de rapen behoorlijk gaar. De inwoners hadden een bouwgretigheid en hadden alleen maar de natuurlijke omgeving -bomen, planten en bloemen- om zich mee te redden. Op is op; in de 17e eeuw was het eiland ontbost, voerde men oorlog, leed men honger en stortte de cultuur in.
 |
| In 1770 reisde de Britse artiest William Hodges naar Paaseiland (of Rapa Nui zoals de bewoners het noemen). Het kunstwerk dat u hierboven ziet is gebaseerd op de vele stenen beelden die de bevolking heeft gemaakt. Het eiland trekt door zijn mysterieuze uitstraling en het vernietigende lot zowel toeristen als wetenschappers. Toch is de aanname dat het parasiterend gedrag van de bevolking de oorzaak is van de teloorgang achterhaald. Dat verhaal is dringend aan herschrijven toe |
In 1995 schreef Jared Diamond, een geograaf en fysioloog bij de Universiteit van Californië (Los Angeles) een artikel waarin hij onze huidige milieusituatie vergeleek met die van Paaseiland. "In slechts enkele eeuwen veegden de bewoners van Paaseiland hun bossen van de kaart, lieten ze fauna en flora uitsterven en waren ze er getuige van dat hun mooie cultuur omsloeg naar chaos en kannibalisme. Zullen wij in hun voetsporen treden?" In zijn boek Collapse omschreef Jared Diamond Rapa Nui als "het duidelijkse voorbeeld van een beschaving die zichzelf heeft vernietigd door het overmatig gebruik van natuurlijke grondstoffen".
De twee belangrijkste uitgangspunten in deze theorie zijn het grote aantal Polynesiërs die nog op het eiland wonen en hun neiging om bomen te vellen. Diamond herziet schattingen van de inheemse populatie en zegt niet verrast te zijn als het eiland in piekperiode meer dan 15.000 personen heeft bevat. Eenmaal het merendeel van de palmbomen waren gekapt ging men richting verhongering. Bij gebrek aan eten at men elkaar op en was er weinig tijd om de cultuur in stand te houden. Wanneer de Europeanen in de 18e eeuw aankwamen vonden ze slechts een klein restant van de beschaving.
Jared Diamond is zeker niet de enige die Rapa Nui als moralistisch verhaal om een vorm van milieubewustzijn te schoppen gebruikt. In hun boek Easter Island, Earth Island maken auteurs John R. Flenley en Paul G. Bahn van de Massey Universiteit in Nieuw Zeeland zich ongerust over wat het lot van Rapa Nui betekent voor de rest van de menselijke beschaving: "De covetousness van de mensheid is grenzeloos. Zijn egoïsme schijnt genetisch te zijn ingeboren… Maar in een beperkt ecosysteem leidt het egoïsme tot het stijgen van bevolkingsonevenwichtigheid, ineenstorting van de beschaving, en uiteindelijk uitsterven."
Toen ik [nvdr: ik=antropoloog en archeoloog Terry L. Hunt] voor het eerst voor archeologisch onderzoek naar Rapa Nui ging had ik verwacht de klassieke opvattingen te staven. In plaats daarvan vond ik bewijsmateriaal dat op geen enkele manier paste bij de bekende chronologie. Toen ik informatie van eerdere archeologische uitgravingen, in combinatie met gegevens van gelijkaardig werk bij omliggende Pacifische eilanden, van dichterbij bekeek besefte ik dat een groot deel van de voorgeschiedenis van Paaseiland speculatie was. Ik ben er nu van overtuigd dat de val van Paaseiland niet alleen verklaard kan worden door zelfveroorzaakte milieuproblemen.
Koolstofdateringen die ik samen met een collega, en in de loop der jaren met een aantal studenten, heb gedaan, gecombineerd met verwant milieugerelateerd paleontologisch onderzoek werpen een heel ander licht op wat er gebeurd is op het kleine eiland. Het verhaal is complexer dan gewoonlijk afgeschilderd.
De eerste kolonisten kunnen niet later zijn gekomen dan gedacht en ze reisden niet alleen. Ze brachten kippen en ratten mee, beiden dienden als bron van voedsel. Wat belangrijker is, is wat de ratten aten. Deze vruchtbare en kweekgrage knaagdieren kunnen (samen met aangerichte genocides van de Europese kolonisten) de primaire oorzaak van de milieudegradatie zijn geweest. Rapa Nui als voorbeeld voor 'ecocide,' zoals Jared Diamond het noemt, zorgt voor een dwingend modern bewustmakend verhaal. Het klopt niet, maar de werkelijkheid van de tragische geschiedenis van het eiland hoeft er niet voor onder te doen.
 |
Rapa Nui, vaak het meest geisoleerde bewoonde eiland ter wereld genoemd, ligt meer dan 2.000 kilometer van het eiland Pitcairn en meer dan 3.000 kilometer van Chili. Paaseiland is sinds 1888 een geannexeerd deel van Chili.
|
Meer dan 3.000 kilometer oceaan scheiden Rapa Nui van Zuid-Amerika, het meest dichtbijgelegen continent. Het dichtste bewoonbaar eiland op een afstand van 2.000 kilometer is Pitcairn, bekend door de beruchte Muiters van de Bounty in de 18e eeuw. Paaseiland is klein, ongeveer 171 vierkante kilometer. Het ligt net ten zuiden van de keerkingen en het klimaat is dus minder uitnodigend dan de andere Pacifistische eilanden. De sterke zoutrijke wind en de wispelturige neerslag maken er landbouw heel moeilijk.
 |
Hoewel Rapa Nui een klein eiland is zijn er vele archeologische schatten te ontdekken. De auteur van dit artikel deed onderzoek op het Anakena-strand waarvan men denkt dat het de aanmeerplaats van de eerste bewoners was. Andere belangrijke archeologische plaatsen zijn Poike Peninsula en de drie kraters: Rano Kau, Rano Aroi en Rano Raraku. De zwarte punten op bovenstaande kaart tonen de positie van diverse Ahu, dat zijn grote funderingsstenen waar de beroemde standbeelden op zijn geplaatst.
|
De fauna en flora van Rapa Nui is beperkt. Naast kippen en ratten zijn er weinig landdieren. De meeste vogels zijn er uitgestorven, al komen die wel nog op andere plaatsen van de planeet voor. Grote palmbomen van de soort Jubaea waren lang dik over het eiland bezaaid, maar die zijn uiteindelijk ook verdwenen. Bij een recent onderzoek vond men slechts 48 soorten inheemse planten, waarvan er 14 door de Rapanui werden geïntroduceerd.
Jacob Roggeveen... |
| ...was de Nederlander die als eerste Europeaan een voet op Paaseiland zette. Hij en zijn soldaten waren verantwoordelijk voor een grootschalige en lang verwaarloosde genocide op het eiland. |
Documenten van Europese bezoekers van Rapa Nui vertellen dat de beschaving in 1722 reeds ver heen was, maar de rapporten zijn hier soms tegenstrijdig over. In zijn logboek omschreef de Nederlandse ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen het eiland als "verarmd" en "zonder bomen". Toen ze weer vertrokken omschreven Roggeveen én de commandanten van zijn drie schepen het als "bijzonder vruchtbaar, het produceren van bananen, aardappels, suikerriet van opmerkelijke dikte, en veel andere soorten der vruchten van de aarde… Dit land, wat betreft zijn rijke grond en goed klimaat kan in een Aards Paradijs worden veranderd, als het behoorlijk werd bewerkt en gecultiveerd". In een van zijn eigen documenten schreef een van Roggeveens bevelhebbers dat hij in de verte grote stroken bosland had gezien.
J.L. Palmer bezocht Paaseiland in de 19e eeuw. In het Journal of the Royal Geographic Society verklaart hij het volgende gezien te hebben: "gebieden met grote bomen, Edwardsia, kokospalmen en hibiscus." Kokospalmen zijn een recente toevoeging aan het eiland dus vermoedelijk zag Palmer de Jubaea.
Het is duidelijk dat de historische verslagen vele hiaten vertonen. De wetenschappers hebben lang geprobeerd om definitieve antwoorden rondom Paaseiland te beantwoorden maar soms dragen die eerder bij tot meer verwarring.
Thor Heyerdahl... |
 |
... is een antropoloog en ontdekkingsreiziger die bekend stond voor zowel zijn avontuurlijk inborst en zijn wetenschappelijke carriere. In 1955 trok hij voor archeologisch onderzoek naar Rapa Nui. Hij is grotendeels verantwoordelijk voor de bekendheid die het eiland nu geniet, maar ook voor de vele misvattingen.
|
Een voorbeeld daarvan vinden we bij Thor Heyerdahl. Deze Noorse ontdekkingsreiziger en antropoloog bezocht Rapa Nui in de jaren '50. Hij droeg in grote mate bij aan de bekendheid van de Moai en de grote stenen funderingen, ahu genoemd, waarop ze vaak zijn geplaatst. Hij droeg echter ook bij aan de misvattingen en foute conclusies van het eiland en diens inwoners. Heyerdahl geloofde dat de Polynesische eilanden, inclusief Paaseiland, initieel werden bevolkt door reizigers van Zuid-Amerika, in plaats van via de Westelijke Stille Oceaan. In 1947 begon hij de beroemde Kon-Tiki expeditie, waarbij hij met een eenvoudig houten vlot van Peru tot de Tuamotu-eilanden voer. Dat diende als bewijs dat prehistorische volkeren hetzelfde gedaan kunnen hebben.
In 1955 leidde Thor Heyerdahl een archeologische expeditie op Rapa Nui. Hij pleitte ervoor dat de eerste inwoners via het oosten waren gekomen. Hij wees daarbij op gelijkenissen tussen de standbeelden van het eiland en de kunst uit Zuid-Amerika. Hoewel er linguïstisch en genetisch bewijsmateriaal is dat de eerste mensen op Rapa Nui wel degelijk Polynesiërs waren, werpt Heyerdahl met zijn bevinden een mist over de archeologische verslagen.
Een houtskoolmonster dat in Poike Peninsula werd gevonden kon men dateren op 400 na Chr. Die gedateerde staal, gecombineerd met het toen heersend idee dat de Rapanui-taal vele eeuwen van afzondering vertoonde, deed wetenschappers en studenten vermoeden dat de eerste nederzettingen naar ongeveer 400 na Chr. te herleiden zijn.
Recentelijk hebben archeologen de datum van Poike Peninsula verworpen. Linguisten vragen zich af of de afzondering wel zo'n bewijs is van een datum, dan wel alleen omwille van de isolatie. De nieuwe onderzoeken lijken eerder naar 800 á 900 na Chr. als vroegste waarschijnlijke datum van menselijke kolonisatie te wijzen.
De archeologen hebben natuurlijk heel wat inspanning gedaan vooraleer ze aan hun bevindingen kwamen. Het grootste gedeelte is gebaseerd op het bestuderen van de veranderen die de kolonisten teweeg hebben gebracht. Vooral ontbossing. Het Team van Heyerdahl nam stuifmeelsteekproeven die aantoonden dat de palmen ooit overvloedig op het eiland aanwezig waren. In de loop van de uitgravingen vonden zo ook sporen van oude resten van grote boomwortels. Die wezen erop dat de vegetatie vroeger veel wijder verspreid was en de oorzaak mogelijk van menselijke aard kan zijn geweest.
John R. Flenley heeft veel van het hedendaags gedetailleerd bewijsmateriaalgeleverd. Eind jaren 70 en in de jaren 80 verzamelde en analyseerde hij sedimenten uit drie plaatsen van het gebied: Rano Aroi: een krater dichtbij het eilandcentrum, Rano Raraku: een krater vlakbij de standbeelden en Rano Kau: een krater in het zuidwesten van het eiland. Op alledrie deze plaatsen bevinden zich ondiepe meren waar de wind sedimenten van over het hele eiland samenbrengt.
Het beste bewijsmateriaal kwam uit de 10,5 meter diepe kern van Kau Rano. Het werd duidelijk dat het eiland, voordat de mens zijn werk deed, tienduizenden jaren lang een dichte bebossing had gekend. Het onderzoek toonde aan dat de ontbossing tussen 800 en 1.500 na Chr. was gebeurd. Maar onlangs hebben Flenley en andere wetenschappers twijfels uitgesproken over de geldigheid van de data die voort was gekomen uit radioactieve koolstofdatering van sedimentaire steekproeven. In 2004 toonde Kevin Butler van de Massey Universiteit aan dat dergelijk sedimentaire steekproeven vaak koolstof bevatten dat ouder is. Hiermee suggereerde hij dat de chronologie die Flenley voorstelde misschien wel honderden jaren uit de pas loopt en de eilandbewoners veel later zijn begonnen aan het ruimen van de bossen.
Ander recent archeologisch en paleontologisch onderzoek weerlegt ook al de aannames die inmiddels zijn gevormd rondom de geschiedenis van Paaseiland. De Franse Catherine Orliac van het Centre National de la recherche scientifique deed een opmerkelijke studie op 32.960 monsters hout, zaad, vezels en wortels van planten en bomen. Naast 14 nieuw-geïndexeerde vegetatiesoorten ontdekte ze ook dat de primaire energiebron van de Rapanui op een bepaald moment drastisch veranderde. Tussen 1.300 en 1,650 na Chr. verbrandden de bewoners het hout van de bomen, maar daarna gebruikte men gras, varens en andere vergelijkbare planten. Catherine Orliac opperde ook dat een groot gereserveerd deel van de inheemse vegetatie aanwezig bleef totdat de Europeanen voet aan wal zetten.
In een andere studie onderzocht de Franse Orliac de overblijfselen van harde omhulsels rond de zaden van de Jubaea-palm. Die monsters waren verkoold, aangeknaagd door ratten en waren vergezeld van restanten die op menselijke invloed duidden. Ze dateerde de specimen en merkte dat alles een afname vertoonde na 1.250 na Chr.
De Duitse ecologen Andreas Mieth en Hans-Rudolf Bork van de Christelijke Albrechtsuniversiteit te Kiel hebben een studie gedaan naar de ontbossing op Paaseiland. Met een lading aan bewijsmateriaal, hoofdzakelijk afkomstig van Poike Peninsula, concludeerden ze dat de Jubaes-palmen ooit overal op het eiland te vinden waren. Volgens hun begon de ontbossing rond 1.280 na Chr. De Rapanui verlieten toen binnen de 200 jaar massaal het gebied rond Poike Peninsula maar keerden tussen 1.500 en 1.1675 weer terug om sommige delen te bevolken.
In 2003 dateerden geoloog Dan Mann en diverse collega's koolstof uit gebieden rondom het eiland. Dit keer betrof het geen stalen uit steekproeven maar toch kwamen ze tot gelijkaardige resultaten: kort na 1.200 was een periode van ontbossing. Hun studie wees, net als bij die van de Duitsers Mieth en Bork, naar een grote boomkap tussen 1.200 en 1.650. Vóór deze periode was er geen enkel signaal dat wees op menselijke invloeden.
Zowel het team van Dan Mann als dat van Mieth en Bork concludeerden op basis van hun onderzoek dat de bevolking in de eeuwen voorafgaand aan 1.200 klein was. Het was pas toen het aantal permanente inwoners groeide dat de aanwijzingen van menselijke aanwezigheid duidelijk werden in de paleontologische verslagen.
Maar dit scenario maakt verscheidene twijfelachtige veronderstellingen. Het vereist een kleine bevolking met een langzaam groeipercentage en weinig ecologisch effect. Na het leiden van ons eigen onderzoek naar Rapa Nui begonnen wij ons af te vragen of het gebrek aan bewijsmateriaal van menselijke aanwezigheid voorafgaand aan ongeveer 1.200 indicatief was. Misschien vestigden de bewoners zich niet zo vroeg op het eiland als wordt aangenomen?
Toen ik in mei 2000 Paaseiland voor het eerst bezocht kon ik me niet voorstellen alles in twijfel te gaan trekken wat ik van het eiland wist. Mijn eerste reis was als toerist en niet zozeer als archeoloog. Toen ik er was botste ik op Sergio Rapu, de eerste Rapanui-gouverneur van het eiland en een van mijn voormalige studenten. Rapu had aan de Universiteit van Hawaii archeologie gestudeerd. Hij nodigde me uit om onderzoek te doen op Rapa Nui.
Voor dat moment had ik er nog geen enkele keer aan gedacht om daar een studie uit te voeren. Ik was bezig een archeologische zomermissie naar Fiji te plannen maar toen zich daar een gewelddadige staatsgreep afspeelde temperde mijn enthousiasme. Rapa Nui leek vanaf toen een aantrekkelijke plaats om universiteit schoolonderzoek te doen.
Toen we in augustus 2000 begonnen was het uitgangspunt dat mijn studenten en ikzelf de finishing touch over de Paaseiland-geschiedenis konden leveren. Toen ik de archeologische gegevens bekeek, samen met studies over de Moai en de bewijzen van milieuveranderingen, realiseerde ik me dat er veel hiaten in de verhalen over Rapa Nui zaten. Ik werd steeds sceptischer over wat anderen me over de geschiedenis van het eiland vertelden.
De volgende jaren deden mijn studenten en ik ongeveer 2 maanden per jaar plaatselijk onderzoek. Mijn collega Carl P. Lipo, een archeoloog van de Californische Long Beach State University besloot mee te doen aan het onderzoek en deed me kennis maken met de potentie van satellietbeelden. We gebruikten de satellietbijdrages om oude transportroutes van de Rapanui waarlangs de grote beelden werden vervoerd te analyseren. Dit ging zo goed dat we niet eerder ontdekte Moai-standbeelden hebben gevonden.
In 2004 begonnen we uitgravingen van een gebied dat de Anakena werd genoemd. Dit witte zandstrand is wellicht de meest uitnodigende plaats geweest waar de eerste kolonisten hun boten parkeerden. De andere kustgebieden van het eiland bestaan hoofdzakelijk uit kliffen en gevaarlijke rotsen. Vanwege de toegankelijkheid van de Anakena en de ontoegankelijkheid van andere gebieden vermoeden de meeste antropologen dat de lokatie van de eerste vestigingen in die omgeving is gelegen. We waren van plan om milieuveranderingen te bestuderen en de standaard chronologie, waarvan we aannamen dat die reeds gevestigd was, links te laten liggen.
We groeven in zand waarvan de ongerepte staat een droom voor iedere archeoloog was. De integriteit van de lagen zouden hulpvol zijn tijdens het bepalen van wat er gebeurd was, zowel in absolute zin als in vergelijking met andere relatief te dateren gebeurtenissen. Maar de uitgravingen waren niet gemakkelijk. Het zand van Anakena is zacht en weinig samenhangend. Toen we enkele meters diep hadden gegraven werd de kuil steeds gevaarlijker. Paarden die langs het strand galoppeerden zorgden voor zenuwslopende vibraties en deiningen. We waren bang dat iemand levend zou worden begraven.
Sedimentlagen.. |
 |
... van het Anakena-strand werden in 2004 en 2005 uitvoerig aan onderzoek onderworpen. Men vond bewijs dat de eersten zich maximum 900 jaar geleden op het eilanden vestigden. De sedimentlagen zijn in bovenstaande afbeelding niet exact op schaal. |
Uiteindelijk bereikten we de bodem van het zand. In de bovenste 3 tot 5 centimeter van de onderliggende kleilaag legden we verkoolde restanten bloot die aantoonden dat er vuur was gebruikt. We vonden ook beenderen van de Polynesische rat, een soort die samen met de kolonisten aan land was gekomen, en kleine schilfers die duiden op menselijk handwerk. Onder de kleilaag troffen we niets aan dat maar enigszins lijkt op menselijke activiteit. In plaats daarvan vonden we oude klei met onregelmatige holle plaatsen waar ooit de wortel van de Jubaea-palm had gezeten.
We hadden overduidelijk de laag met de allereerste mensgerelateerde restanten gevonden. Door de aanname dat Anakena de meest gunstige kolonisatieplaats moet zijn geweest, waren we in een uitstekende positie om die eerste vestigingen gericht te dateren. Ik was dan ook ontgoocheld bij het ontvangen van de laboratoriumresultaten met de koolstofdatering, er leek een fout te zijn. De oudste data waren hoogstens 800 jaar oud. Dat impliceert dat men rond 1.200 begon met zich op Paaseiland te vestigen. De data van lagen die dichter bij de oppervlakte waren gelegen waren opmerkelijk jonger en dat was inconsistent met de mogelijkheid dat sommige monsters 'besmet' waren met jongere koolstof. Er was geen enkele manier waarop de resultaten zonder hiaten geinterpreteerd konden worden. Zeker niet als het moest stroken met de conventionele opvattingen rondom Paaseiland. Ik besloot de resultaten tijdelijk naast me neer te leggen om later uit te vissen waar het fout is gegaan.
Toen de resultaten van het onderzoek me een paar weken later via post bereikten heb ik de gegevens opnieuw onderzocht. Hoe meer ik keek, hoe meer het leek alsof onze onderzoeksresultaten niet het probleem waren. Ik sprak erover met mijn vriend en collega Atholl Anderson van de Australische Nationale Universiteit. Hij had een zorgvuldige analyse losgelaten op koolstofgebaseerde dateringen van Nieuw Zeeland en kwam tot de conclusie dat de eerste kolonisten daar rond 1.200 aan zijn gekomen. Dat is honderden jaren later dan archeologen tot op dat moment hadden gedacht. De eerste reacties op zijn gedachtengoed waren lauw, maar na verloop van tijd vond men steeds meer bewijs die zijn stelling staafde. Door deze ervaring adviseerde Anderson me om een open geest te houden en om meer vertrouwen te hebben in de onderzoeksresultaten dan in de eigen aannames.
De eerste mensen.. |
 |
... vond men op basis van uitvoerig onderzoek van resten en aardlagen. |
In 2005 keerden Lipo, de studenten en ik terug naar Anakena. We vonden een ander deel waar de diepste lagen op een veiliger manier konden onderzocht worden. We legden een groot gebied van klei onder het zand bloot en namen stalen zodat we meer koolstofdateringen konden uitvoeren. De twee data die we vonden waren volledig consistent met de eerdere resultaten.
Was de klassieke chronologie eenvoudigweg verkeerd? Lipo en ik legden het bewijs voor vroegere kolonisatie onder de loep. We evalueerden 45 eerder gepubliceerde dateringen die werden gebruikt om aan te tonen dat mensen er meer dan 750 jaar geleden reeds actief waren. Alle informatie van onbetrouwbare of speculatieve bronnen, bijvoorbeeld zee-organismes, werd genegeerd. Koolstofdatering werkt aanzienlijk anders bij onderwaterrestanten en in vorige onderzoeken werd deze discrepantie verwaarloosd. We verwierpen ook data die op zichzelf staan en in geen enkele andere archeologische context thuishoorden. Door alleen koppelbare data te gebruiken hielpen we de betrouwbaarheid van de gegevens te vergroten. Onze standaard uitgangspunten bevatten meer randinformatie dan die van Anderson toen hij Nieuw Zeeland bestudeerde, maar we hadden in totaal slechts 9 data over. Hierdoor viel het bewijs van de eerste kolonisatie in 800 na Chr. uit elkaar.
Hoewel onze resultaten niet corresponderen met de algemeen geaccepteerde data van Rapa Nui volgden ze wel helemaal de ontbossingschronologie van Orliac, Mann en Mieth en Bork. Het enige idee dat in de steek gelaten moet worden is dat een kleine groep mensen eeuwen lang geleidelijk aan het eiland bevolkten. In de plaats daarvan stel ik dat de impact op het milieu van in het begin in grote mate aanwezig was.
Het idee dat mensen pas rond 1.200 op Paaseiland aankwamen was niet het enige dat me ertoe dwong de veronderstellingen over het eiland te heroverwegen. Het onderzoek naar omliggende eilanden verstrekte een dwingende parallel en een mogelijke verklaring voor de schade die aan het milieu van Rapa Nui werd berokkend.
Duizenden jaren lang werd het grootste gedeelde van het eiland overwoekerd door palmbomen. De verslagen van stuifmeelonderzoek tonen aan dat de Jubaea-palm minstens 35.000 aanwezig is en een aantal klimaat- en milieuveranderingen overleefde. Tegen de tijd dat Roggeveen in 1722 aankwam was het grootste gedeelte van de bomen reeds verdwenen.
 |
| Duizenden jaren lang besloegen de machtige Jubaea-palmen het grootste gedeelte van het eiland. De verwante Jubaea chilensis (links op de foto) is nu nog in Chili en andere gebieden te vinden. Op Paaseiland is de Jubaea sinds de komst van rat en mens uitgestorven, zoals op de lege vlaktes van de rechterfoto kan worden gezien. Op die foto ziet u ook de Maoi en de Ahu waarop ze rusten. De belangrijkste reden van het verdwijnen is de zaadknagende Polynesische rat, waarvan u hierboven ook een foto ziet. |
Het is geen nieuwe observatie dat zowat alle bolsters van palmzaden door ratten zijn aangeknaagd, maar de impact van ratten op het eiland is vermoedelijk lang onderschat geweest. Bewijzen van andere plaatsen in de Pacifieke Oceaan tonen dat ratten verantwoordelijk zijn geweest voor grootschalige ontbossing en dat ze ook een rol kunnen gespeeld hebben in de tragedie op Rapa Nui.
De archeoloog J. Stephen Athens van het International Archaeological Research Institute deed graafwerkzaamheden op het Hawaii-eiland Oahu. Hij ontdekte dat de ontbossing van de Ewa-vlakte tussen 900 en 1.100 na Chr. is gebeurd. De eerste aanwezigheid van mensen was echter pas in 1.250. Er waren geen klimatologische aanwijzingen waarom de palmen zijn verdwenen, maar hij vond wel bewijs dat de Polynesische rat (Rattus exulans) reeds in 900 na Chr. op het eiland te vinden was. Athens toonde dat het waarschijnlijk was dat ratten gezorgd hebben voor de massale afname van bosgebieden.
Paleobotanisten hebben het destructieve effect dat ratten op de natuurlijke vegetatie uitoefenen op meerdere eilanden getraceerd. Zelfs gebieden waar een uiteenlopende begroeiing aanwezig was bleven niet gespaard, bijvoorbeeld in Nieuw-Zeeland. Op de plaatsen waar de ratten werden verwijderd groeide de vegetatie snel weer terug. Op plaatsen waar nooit ratten zijn gevonden en waar (net als op Paaseiland) mensen intensief aanwezig waren overleefde de vegetatie integraal.
Of ratten nu verstekelingen waren, of een bron van proteïnen voor de Polynesische ontdekkingsreizigers, op Rapa Nui vonden ze een bijna ongelimiteerde bron van kwalitatief uitstekend voedsel. Met uitzondering van de mens was er voor de rat geen natuurlijke vijand in het gebied. In een dermate gunstige omgeving kunnen ratten hun populatie iedere zes tot zeven weken verdubbelen. Eén enkel rattenkoppel kan in iets meer dan 3 jaar dus een populatie van bijna 17 miljoen ratten bereiken. Op Kure Atoll, een ander Hawaii-eiland dat op een vergelijkbare breedtegraad als Rapa Nui ligt maar minder beschikbaar voedsel heeft, rapporteerde men in de jaren '70 een rattenpopulatie van 45 stuks per are. Op Paaseiland zou dat overeenkomen met 1,9 miljoen ratten, met een densiteit van 75 stuks per are. Het is niet onredelijk, gezien de overvloed aan voedsel, aan te nemen dat er na verloop van tijd meer dan 3,1 miljoen ratten op het eiland waren.
Het bewijs van andere plaatsen in de Pacifische Oceaan maakt het moeilijk te geloven dat ratten niet verantwoordelijk zijn geweest voor een snelle en grootschalige vernietiging van het lokale leefmilieu. Het is echter nog steeds niet helemaal duidelijk in welke mate ratten aan de bron van de problemen liggen en in welke hoedanigheid mensen verantwoordelijk zijn. De kolonisten hebben bomen omgehaald voor praktisch of ander nut en ze praktiseerden een uitputtende methode van landbouw. Ik geloof dat er substantieel bewijs is dat ratten, meer dan mensen, de daders zijn van de ontbossing.
Ons werk op Anakena, samen met andere archeologische studies, leverde duizenden rattenbeenderen op. Het ziet ernaar uit de de Polynesische rattenpopulatie héél snel toenam. Meer recent stierf de rattensoort uit omdat de concurrerende Europese rat poot aan wal had gezet. Bijna alle gevonden palmzaden waren aangeroerd door ratten. Dit bewijst dat de ratten de groei van de vruchtbare Jubaea-palm danig hebben beïnvloed, aangeknaagde zaden zijn niet meer geschikt om een boom uit te laten groeien.
Er is nog een reden om aan te nemen dat ratten meer dan mensen verantwoordelijk zijn voor de Paaseilandproblemen: analyse van stuifmeel in de sedimenten bij Kau Rano toont aan dat het bos reeds in grote mate afnam voordat de eerste sporen van (door mensen gemaakt) vuur werd gevonden.
Tegen de tijd dat een tweede ronde resultaten van koolstofdatering (in de herfst van 2005) arriveerden begon een compleet beeld van de Rapa Nui-geschiedenis zich te vormen. De eerste kolonisten, afkomstig van andere Polynesische eilanden, kwamen rond 1.200 naar het eiland. De populatie nam relatief snel toe, misschien jaarlijks met drie procent. Dit komt overeen met andere bevolkingsstatistieken van de eilanden in het omringend deel van de Pacifische Oceaan. Op het eiland Pitcairn steeg de bevolking bijvoorbeeld jaarlijks met 3,4 procent nadat de muiters van de Bounty in 1790 arriveerden. Voor Paaseiland zou een toename van 3 procent erop neerkomen dat een kolonisatie van 50 personen in een eeuw tijd leidt naar een bevolking van meer dan 1000 man. De rattenpopulatie steeg stukken sneller en de combinatie van de zaadknagende rat en de kappende mens kan geleid hebben tot een immense ontbossing. Volgens mij was er op geen enkel moment een periode waarin de mensen volgens een idyllische balans met de fragiele natuur leefden.
 |
Nieuw bewijs doet grote twijfels rijzen over het klassieke verhaal van Rapa Nui. De populaire visie van de milieuparasitering hangt nauw samen met een vroege kolonisatie en een grote populatiepiek. De herziene tijdslijn houdt meer rekening met archeologisch bewijs op basis van sedementen en koolstofdatering. Initiele vestiging zou rond 1.200 na Chr. zijn gebeurd. Volgens deze versie is de populatie nooit groter dan 3.000 mensen geworden en spelen ratten de dominante rol tijdens de ontbossing van Paaseiland. In dit scenario ging de Rapanui-cultuur niet opzienbarend achteruit, totdat de Europeanen arriveerden. Ziekte, genocide en slavenhandel brachten uiteindelijk de populatie terug tot zo'n 100 mensen.
|
Het ziet er ook naar uit dat de bewoners meteen bij hun aankomst begonnen met het bouwen van de Moai-beelden en de Ahu-grondvesten waarop velen staan geplaatst. Rond 1.350 na Chr. waren er ongeveer 3.000 mensen, misschien iets meer, op het eiland. Dat aantal bleef redelijk stabiel tot aan de komst van de Europeanen. De leefomstandigheden, de beperkte en minderende natuur, kon niet toe hebben gelaten dat de bevolking veel meer groeide. Tegen de tijd dat Roggeveen in 1722 arriveerde waren de meeste bomen weg maar de ontbossing had niet tot ineenstorting van de beschaving geleid, zoals Jared Diamond en anderen hebben geopperd.
Er is geen enkele betrouwbaar bewijs dat de populatie ooit 15.000 of meer hoofden heeft geteld. De ondergang van de beschaving op Paaseiland was niet aan interne twisten te wijten maar wel aan het contact met de Europeanen. Toen Roggeveen in 1722 (een paar dagen na pasen, vandaar ook de naam Paaseiland) op Rapa Nui aankwam nam hij honderd mannen met zich mee. Allen waren ze bewapend met musketgeweren, pistolen en machetegeweren. Nog voordat ze dieper in het eiland waren getrokken hoorde Roggeveen schoten afkomstig uit de achterste linies van zijn soldaten. Hij keerde om en trof 10 of 12 eilandbewoners dood aan. Zijn zeevarende soldaten beweerden dat sommige van de Rapanui dreigende gebaren hadden gemaakt. Wat de oorzaak van de provocatie ook geweest moge zijn, misschien slechts onbegrip of angst, het beloofde niet veel goeds voor de oorspronkelijke bewoners.
Nieuwe ziektes, het conflict met de Europese bezetters en de slavernij die ze lokaal afdwongen waren typische kenmerken voor de eerste anderhalve eeuw na hun komst. Deze aspecten zijn hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de beschavingsdegradatie op Paaseiland. Rond het begin van de jaren 1860 waren meer dan duizend Rapanui gevangen genomen en over de Oceaan als slaven weggevoerd. Rond 1870 waren er nog zo'n 100 inheemse bewoners over. Enkele jaren later, in 1888, werd Paaseiland door Chili geannexeerd wat het tot op heden nog is.
In 1930 bezocht de Franse ethnograaf Alfred Metraux het eiland. Hij omschreef de restanten van Rapa Nui als “één van de meest afschuwelijke wreedheden door blanke overzeese mensen”. Het was geen ecocide, het was genocide ofwel volkerenmoord die voor de teloorgang van Paaseiland heeft gezorgd. Er gebeurde wel degelijk een ecologische catastrofe op Rapa Nui, maar die was het resultaat van een aantal factoren en zeker niet alleen menselijke kortzichtigheid.
Ik geloof dat de wereld vandaag een ongekende globale milieucrisis onder ogen ziet, en ik zie natuurlijk het nut van historische voorbeelden van milieuvernietiging. Daarom moest ik met enig ongemak concluderen dat Rapa Nui niet aan zo'n model voldoet. Maar als wetenschapper kan ik de problemen met het klassieke verhaal van de voorgeschiedenis van het eiland niet negeren. De fouten en de overdrijvingen in argumenten ter bescherming van het milieu leiden slechts tot te eenvoudig voorgestelde antwoorden en kwetsen zelfs de oorzaak van milieubewustzijn. Op het einde zullen we met deze te simpele aannames verwonderd zijn waarom onze antwoorden niet voldoende zijn geweest om het hedendaags milieuprobleem mee te confronteren.
Ecosystemen zijn complex en er is een dringende behoefte om ze beter te begrijpen. De rattenresten op Rapa Nui vertonen zeker het potentieel van een verwoestende kracht. Deze binnenvallende soorten, inclusief de mens, toont het onverwachte en grootschalige effect op een leefomgeving. Ik hoop dat we kunnen blijven onderzoeken wat er op Rapa Nui gebeurde, zodat we kunnen leren welke andere lessen deze verre buitenpost ons vertelt.
Bahn, P. G., and J. R. Flenley. 1991. Easter Island, Earth Island. New York: Thames and Hudson.
Butler, K., C. A. Prior and J. R. Flenley. 2004. Anomalous radiocarbon dates from Easter Island. Radiocarbon 46(1):395-405.
Diamond, J. 1995. Easter's end. Discover 9:62-69.
Diamond, J. 2005. Collapse: How Societies Choose to Fail or Succeed. New York: Viking.
Hunt, T. L., and C. P. Lipo. 2006. Late colonization of Easter Island. Science 311:1603-1606.
Lipo, C. P., and T. L. Hunt. Mapping prehistoric statue roads on Easter Island. Antiquity 79:158-168.
Mann, D., J. Chase, J. Edwards, R. Beck, R. Reanier and M. Mass. 2003. Prehistoric destruction of the primeval soils and vegetation of Rapa Nui (Isla de Pascua, Easter Island). In Easter Island: Scientific Exploration into the World's Environmental Problems in Microcosm, ed. J. Loret and J. T. Tanacredi. New York: Kluwer Academic, pp. 133-153.
Metraux, A. 1957. Easter Island: A Stone-Age Civilization of the Pacific. London: Andre Deutsch.
Mieth, A., and H.-R. Bork. 2003. Diminution and degradation of environmental resources by prehistoric land use on Poike Peninsula, Easter Island (Rapa Nui), Rapa Nui Journal 17(1):34-42.
Orliac, C. 2000. The woody vegetation of Easter Island between the early 14th and the mid-17th centuries A.D. In Easter Island Archaeology: Research on Early Rapanui Culture, ed. C. Stevenson and W. Ayres. Easter Island Foundation.
Palmer, J. L. 1870. A visit to Easter Island, or Rapa Nui, in 1868. Journal of the Royal Geographic Society 40:167-181.
 |